Camping de Konijnenberg B.V. in Harderwijk kreeg van het college van burgemeester en wethouders een last onder dwangsom opgelegd. De reden hiervoor was dat het perceel aan de Korhoenlaan 2 in strijd met het bestemmingsplan werd gebruikt voor permanente bewoning. Volgens het bestemmingsplan is het perceel bestemd voor recreatief gebruik, en de gemeente achtte het huisvesten van personen die daarvandaan naar hun werk gaan of het perceel als hun hoofdverblijf gebruiken, in strijd met de planregels.
Bij besluit van 23 oktober 2023 heeft de gemeente daarom een dwangsom opgelegd van € 10.000 per maand, tot een maximum van € 60.000. De camping heeft bezwaar gemaakt tegen deze last, maar dit bezwaar werd op 5 juni 2024 ongegrond verklaard door de gemeente. Vervolgens heeft de camping beroep ingesteld bij de rechtbank.
Op 22 oktober 2024 heeft de rechtbank het beroep gedeeltelijk gegrond verklaard. De rechtbank heeft het besluit van 23 oktober 2023 herroepen voor zover het ging om de formulering van de last en bepaald dat deze uitsluitend betrekking moest hebben op permanente bewoning. De rechtbank heeft echter niet geoordeeld dat de opgelegde last als geheel onrechtmatig was.
Camping de Konijnenberg was het hier niet mee eens en is tegen deze uitspraak in hoger beroep gegaan. Daarnaast heeft de camping een voorlopige voorziening gevraagd bij de Raad van State om de handhavingsmaatregelen (inclusief de dwangsom) op te schorten totdat het hoger beroep is behandeld.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om schorsing beoordeeld aan de hand van een belangenafweging. De rechter erkent dat de camping een spoedeisend belang heeft, omdat de dwangsom nog niet volledig is verbeurd en verdere handhaving financiële gevolgen kan hebben. De camping wil voorkomen dat zij verder dwangsommen moet betalen. Daarnaast heeft zij verwezen naar een brief van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 19 december 2024, waarin gemeenten worden opgeroepen om, in afwachting van een nieuwe instructieregel, voorlopig niet handhavend op te treden tegen permanente bewoning van recreatiewoningen. De gemeente wil daarentegen handhaven op het bestemmingsplan en betoogt dat het naleven van de geldende regelgeving belangrijker is dan het financiële belang van de camping. Bovendien heeft de gemeente nog geen standpunt ingenomen over de brief van de minister en is het niet zeker wat dit betekent voor de specifieke situatie op de camping.
De rechter oordeelt dat de financiële gevolgen voor de camping niet voldoende onderbouwd zijn. Er is geen bewijs geleverd dat het betalen van de dwangsom tot onoverkomelijke problemen zou leiden. De brief van de minister is weliswaar relevant voor toekomstige beleidswijzigingen, maar omdat deze dateert van ná de eerdere beslissingen van de gemeente en de rechtbank, heeft dit geen invloed op de rechtmatigheid van de huidige handhavingsmaatregelen. Conclusie is dat er geen reden is om de opgelegde last voorlopig te schorsen.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af, waardoor de camping zich voorlopig aan de last onder dwangsom moet houden. De uitspraak betekent dat handhavingsmaatregelen tegen permanente bewoning van recreatiewoningen, zelfs na de brief van de minister, nog steeds geldig kunnen zijn.
De brief van de minister is echter wel van belang voor toekomstige procedures. In andere zaken waarin gemeenten overwegen om handhavend op te treden tegen permanente bewoning, kan deze brief een argument zijn om op lokaal niveau het beleid aan te passen of om in juridische procedures te pleiten voor schorsing van handhavingsmaatregelen. De brief verandert echter niet automatisch de geldende regelgeving en zal per zaak beoordeeld moeten worden. In dit geval vond de voorzieningenrechter de brief niet voldoende zwaarwegend om de handhaving stop te zetten, maar in toekomstige zaken kan dit anders uitpakken, vooral als gemeenten ervoor kiezen om de ministeriële oproep op te volgen.
https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RVS:2025:393